Toneelvereniging de Vriendenkring Vilt

DE VRIENDENKRING VILT

Geschiedenis

Voor de tweede wereldoorlog kende Vilt al een rijke toneeltraditie. Bij de winterconcerten van Harmonie Amicitia werd elk jaar ook een toneelstuk gespeeld door de zogenaamde toneelafdeling van de harmonie.
Bij de spelers groeide stilaan de behoefte om een zelfstandige toneelclub op te richten onafhankelijk van de harmonie. De groep die in 1940 voor het eerst zelfstandig voor het voetlicht trad met een avond van voordrachten en duetten bestond dus allerminst uit beginnelingen.

Een “gemengde” vereniging :

Typisch voor die tijd was dat de vrouwenrollen door mannen werden gespeeld. Hierin wilde men verandering brengen: dus werden vrouwen aan de toneelgroep toegevoegd. Dit stuitte echter op grote weerstand binnen de Vilter gemeenschap en bij de geestelijkheid. Er werd zelfs vanaf de preekstoel tegen geageerd : gemengd toneel was zonde ! Maar men zette door en won het pleit bij het publiek. Er werd een uitvoering gegeven ten bate van het groene kruis. De toenmailge zuster Amanda, die voor het groene kruis de thuiszorg deed in die jaren, heeft de opbrengst met dank in ontvangst genomen. Hier is de relatie met uitvoeringen geven voor het groene kruis uit ontstaan en heeft een jarenlange samenwerking gehad.

De oorlogsjaren :

Geruggensteund door het publiek en er van overtuigd zijnde dat men met iets goeds bezig was, ging men op de ingeslagen weg verder. In de winter van 1940-1941 zette men “de Sjöttersjkeuning”  en “Vier mannen en één meisje” op de planken. Twee blijspelen waarmee een enorm succes werd geboekt tevens de beloning voor de inzet van de spelers. Enkele voorbeelden:
Om met muzikale begeleiding te kunnen repeteren, ging het groepje te voet naar Scheulder omdat er toen in Vilt geen piano was. In februari 1942 reisde men per trein naar Echt om van daaruit te voet, bij een vrieskou van 20 graden, naar Montfort te gaan om een voorstelling te geven; de laatste in de oorlog. Immers de bezetter verbood iedere culturele vereniging op te treden die niet tot de z.g. Kultuurkamer toetrad.
Nauwelijks waren we echter bevrijd of men kwam weer in actie getuige het feit dat in februari 1945 het dialectstuk “Hubér Zonder bon handelt zjwart” (geschreven door de bekende journalist en schrijver Martin W. Duijzings) werd gespeeld. Wegens overgrote belangstelling moest zelfs een heropvoering worden gegeven en speelde men ook in Berg en Sibbe. Zeer veel succes was er met de door Sjeng Rouvroije geschreven eenakter “De bevrieding”.

Tijd van bloei :

De jaren direct na de oorlog vormden een gouden tijd voor het toneel in het algemeen, de mensen hadden behoefte aan ontspanning, en voor “de Vriendenkring” in het bijzonder. Enkele hoogtepunten voor de vereniging waren : De schat uit Congo - Zand of Klei – Levensschaduwen – De pantoffelheld – De Vreemdeling – Zonsopgang - De witte non –Uitstel van executie – Nacht zonder dageraad.
Behalve kluchten en blijspelen werden er ook ‘serieuze’ toneelstukken en zelfs drama’s opgevoerd van bekende en minder bekende Nederlandse en buitenlandse schrijvers, zoals: De woeste hoogte (Emily Bronté) – Tramlijn Begeerte (Tennessee Williams) – De Martelgang van Kromme Lindert (A.M. de Jong), een drama in 5 bedrijven.
Tekenend voor de kwaliteit van de spelers was dat verschillende van hen geregeld meespeelden met het Zuid-Limburgs Toneel en het latere beroepstoneel “Speelgroep Limburg”. Hun daar opgedane kennis is zeer zeker aan onze vereniging ten goede gekomen. Dit was ook de tijd waarin het Openluchttheater van Valkenburg een ongekende bloei beleefde met voorstellingen waaraan diverse spelers uit Vilt meededen. Na deze tijd kwam er een periode (rond 1960 en de eerste jaren daarna) waarin de belangstelling voor toneel duidelijk minder werd, waarschijnlijk onder invloed van de televisie.

Een opleving komt er in 1970 met de komst van regisseur Jan Wouters (“Jan van Maske”). Onder zijn leiding werden de door hem zelf geschreven stukken in het dialect gespeeld o.a. Tineke van de meule – De sjtiefkop – Pension Lumes. Het publiek wist de uitvoeringen in dialect te waarderen en vanaf die tijd speelde “de Vriendenkring” uitsluitend dialectstukken en kluchten. Men ging ook meer aandacht besteden aan de techniek: decor, belichting, enz…

Een nog grotere belangstelling beleefde de vereniging met de door Sjeng Rouvroije geschreven toneelstukken : De pantoffelheld – ’t Geldkiske van oma – Inclusief veurriekoste – ‘t Zin de vrouwluuj van vreuger neet mie – ’t Lètste humme haet gein tèsje – en, als jubileumstuk bij het 40-jarig bestaan, Treeske of ….. Suzie.
Er werden verschillende stukken door Sjeng vertaald en bewerkt voor het dialect: Ein gooj sjoanmooder ies goud waerd – Iech zeuk Quadvleeg.
Dit alles resulteerde in een  nieuwe bloeiperiode in de jaren 70 en 80. Met het oog op de toekomst werd er aandacht aan de jeugd besteed. In ’84 en ’85 genoten kinderen en hun ouders van Professor Doedelzak en Wae ’t undersjte oet de kan wilt, krit d’n dèksel op de naas.

In al die jaren (1940-1990) tijd heeft de vereniging wel ± 375 uitvoeringen gegeven.
De laatste jaren nam het aantal uitvoeringen per seizoen iets af. De oorzaak hiervan werd toegeschreven aan het feit dat er zeer vele toneelverenigingen in de omgeving werden opgericht. Er zijn in die vijftig jaar wel wat dingen veranderd. In de jaren direct na de oorlog werden vaak drie avondvullende stukken ingestudeerd : een voorstelling in oktober, de tweede in december-januari en de derde met half-vasten. Om ieder lid een kans te geven om te spelen werd vaker een korte klucht ingestudeerd die dan voorafgaand aan het grote stuk werd gespeeld. Dit betekende de hele herfst en winter repetities, van eind augustus tot maart ! Later studeerde men één stuk per seizoen in dat dan wel veel vaker werd gespeeld.